Toen ik aan Het Fossielenspoor begon, wist ik dat ik een interactieve museuminstallatie moest ontwikkelen voor Kina, het museum voor kind en natuur in Gent. Ik had al ervaring met het bouwen van websites en digitale toepassingen, maar deze opdracht was toch iets anders. Dit keer moest ik niet alleen software ontwikkelen. Ik moest ook nadenken over de fysieke vorm, elektronica, materialen en vooral hoe kinderen de installatie zouden gebruiken.
Op papier leek dat allemaal nog redelijk overzichtelijk. Je bedenkt een concept, werkt het uit en bouwt het. Maar tijdens dit project merkte ik opnieuw hoe groot het verschil is tussen iets ontwerpen en het daadwerkelijk maken.
En misschien was dat net wat ik er zo interessant aan vond.
Van kijken naar zelf ontdekken
Mijn eerste stap was onderzoeken hoe kinderen een museum beleven. Tijdens mijn bezoek aan Kina viel me op dat kinderen anders reageren op een installatie wanneer ze zelf iets mogen doen. Een object achter glas bekijken is één ding, maar ergens aan draaien, iets aanraken of een reactie uitlokken, zorgt voor een heel andere ervaring.
Dat zette me aan het denken. Hoe kon ik fossielen interessanter maken voor kinderen zonder er gewoon nog een informatiescherm naast te plaatsen?
Ik wilde dat kinderen zelf het gevoel kregen dat ze iets ontdekten.
Mijn eerste ideeën waren groter en technisch ingewikkelder. Ik dacht onder andere na over een meer immersieve ervaring waarin projecties en verschillende interactieve elementen samenkwamen. Dat leek me interessant, maar naarmate ik verder onderzocht wat haalbaar was, begon ik me af te vragen of al die extra technologie wel nodig was.
Uiteindelijk kwam ik uit bij een eenvoudiger concept: een draaibare carrousel met acht fossielen.
Kinderen draaien zelf aan de carrousel. Wanneer een fossiel boven de scanzone komt, wordt het automatisch herkend. Op het scherm verschijnen afbeeldingen en informatie over de vondst, er speelt een audiofragment en een lampje geeft aan welk fossiel ontdekt is.
Geen ingewikkelde menu's of knoppen. De volledige interactie begint met één eenvoudige beweging.
Wat ik daar interessant aan vond, was dat de technologie eigenlijk niet zichtbaar hoefde te zijn. Een kind hoeft niet te weten wat RFID is of hoe een Raspberry Pi werkt. Het moet gewoon begrijpen dat het aan de carrousel kan draaien en vervolgens iets ontdekt.
Het bouwen was een ander verhaal
Toen het concept duidelijk was, begon het echte werk. Ik moest de installatie niet alleen programmeren, maar ook fysiek bouwen.
Ik werkte met MDF, plexiglas, een draaiplateau, 3D-geprinte fossielen en verschillende elektronische onderdelen. De behuizing werd gelasercut en moest stevig genoeg zijn om door kinderen gebruikt te worden. Tegelijk moesten alle kabels en technische componenten veilig weggewerkt blijven.
De eerste versie zag er op papier goed uit, maar bleek tijdens het bouwen niet stevig genoeg. Vooral de achterkant, waar het scherm aan bevestigd werd, gaf problemen. Ik had oorspronkelijk een constructie bedacht die gemakkelijk open kon voor onderhoud, maar door het gewicht van het scherm verloor ze aan stabiliteit.
Ik moest dus opnieuw naar het ontwerp kijken.
Dat vond ik wel een interessant moment. Ik kon blijven proberen om mijn eerste ontwerp te behouden, maar eigenlijk was het duidelijk dat een andere oplossing beter zou zijn. Ik heb de constructie daarom aangepast, verstevigd en later extra buitenpanelen toegevoegd.
Ook bij de verlichting liep niet alles zoals gepland.
In het begin gebruikte ik een gewone LED-strip. Alleen bleek die niet ideaal om elk fossiel afzonderlijk te verlichten. Uiteindelijk heb ik de LED's één voor één losgeknipt en opnieuw aan elkaar gesoldeerd, zodat ik ze precies kon plaatsen waar ik ze nodig had.
Dat zijn van die dingen waar je tijdens het ontwerpen niet altijd bij stilstaat. Je tekent iets, bedenkt hoe het moet werken en denkt dat je de oplossing hebt. Tot je het begint te bouwen en merkt dat de werkelijkheid toch wat anders in elkaar zit.
Meer dan alleen programmeren
Naast het fysieke gedeelte moest natuurlijk ook de software werken.
Ik ontwikkelde een webapplicatie die lokaal draait op een Raspberry Pi. De RFID-reader herkent de fossielen, terwijl een ESP32 de LED-verlichting aanstuurt. Al die onderdelen moesten correct samenwerken.
Wanneer een fossiel herkend wordt, moet de juiste informatie verschijnen, de audio starten en de bijhorende verlichting reageren. Dat klinkt eenvoudig, maar achter die ene handeling zitten verschillende systemen die op het juiste moment moeten communiceren.
Ik heb daarnaast ook een adminpanel ontwikkeld. Daarmee kunnen de fossielgegevens, afbeeldingen en instellingen aangepast worden zonder rechtstreeks in de code te moeten werken.
Dat vond ik belangrijk omdat ik niet alleen wilde dat de installatie tijdens een demonstratie werkte. Ik wilde ook nadenken over wat er daarna mee zou gebeuren. Hoe pas je de inhoud aan? Wat als een RFID-sticker vervangen moet worden? Hoe raak je aan de elektronica wanneer iets niet meer werkt?
Dat soort vragen hebben mijn ontwerp sterk beïnvloed.
Ik merkte tijdens dit project ook hoeveel mijn verschillende interesses met elkaar te maken hebben. Mijn achtergrond in grafisch ontwerp hielp bij de vormgeving en afwerking. Mijn programmeerkennis gebruikte ik voor de software. En door de fysieke installatie zelf te bouwen, moest ik oplossingen zoeken die ik bij een gewone website waarschijnlijk nooit zou tegenkomen.
Dat afwisselen tussen ontwerpen, programmeren en maken is iets wat ik graag doe.
Niet alles hoeft ingewikkeld te zijn
Als ik terugkijk op het project, is dat misschien wel de belangrijkste les.
In het begin had ik grotere ideeën en wilde ik verschillende technieken combineren. Maar uiteindelijk werd het concept sterker toen ik bepaalde dingen begon weg te laten.
De carrousel draait bijvoorbeeld niet met een motor. De bezoeker doet dat zelf. Dat maakte de installatie eenvoudiger, betrouwbaarder en eigenlijk ook interessanter, omdat het kind zelf bepaalt welk fossiel het wil ontdekken.
Ook de keuze om alles lokaal te laten draaien, was bewust. Voor deze installatie had ik geen ingewikkeld online platform nodig. Het belangrijkste was dat ze zelfstandig en betrouwbaar kon functioneren.
Ik denk dat ik tijdens het project steeds beter begon te begrijpen dat een technisch ingewikkelde oplossing niet automatisch een betere ervaring oplevert.
Soms bereik je meer door iets eenvoudiger te maken.
Wat ik eruit meeneem
Uiteindelijk heb ik Het Fossielenspoor kunnen uitwerken tot een werkend prototype. Van het eerste onderzoek en de schetsen tot de software, elektronica, behuizing en afwerking heb ik aan verschillende onderdelen kunnen werken.
Natuurlijk betekent dat niet dat alles nu definitief af is. Een volgende interessante stap zou zijn om de installatie langere tijd in de echte museumomgeving met kinderen te testen. Dan pas zie je hoe bezoekers ermee omgaan en welke onderdelen eventueel nog aangepast moeten worden.
Maar ook zonder die stap heeft het project me veel geleerd.
Vooral dat je niet te hard mag vasthouden aan je eerste idee. Sommige problemen ontdek je pas wanneer je iets effectief bouwt. En soms moet je werk waar je al tijd in hebt gestoken opnieuw aanpassen omdat je intussen een betere oplossing hebt gevonden.
Ik heb tijdens dit project veel tijd besteed aan dingen die je uiteindelijk nauwelijks ziet. Kabels wegwerken, onderdelen verstevigen, LED's solderen en ervoor zorgen dat alles op het juiste moment reageert.
Maar net dat werk zorgt ervoor dat iemand anders gewoon aan een carrousel kan draaien en zonder verdere uitleg iets ontdekt.
En eigenlijk vind ik dat een mooi resultaat. Niet omdat de technologie zo indrukwekkend mogelijk is, maar omdat al dat werk uiteindelijk samenkomt in iets eenvoudigs dat iemand kan gebruiken.
Het Fossielenspoor heeft me vooral bevestigd dat ik niet alleen graag digitale toepassingen ontwikkel. Ik vind het minstens even interessant om een idee helemaal uit te werken, van de eerste schets tot iets dat echt voor me staat.

