Een fulltime job combineren met een bacheloropleiding was niet iets waarvan ik oorspronkelijk dacht dat ik het zou doen. In 2024 behaalde ik mijn graduaatsdiploma Programmeren aan Arteveldehogeschool. Ik was blij, trots en ervan overtuigd dat ik snel werk zou vinden en eindelijk zou kunnen beginnen aan waar ik al jaren van droomde. Alleen liep het niet helemaal zoals ik het in mijn hoofd had. Dat verhaal bewaar ik voor een andere keer. Dit gaat over de job die ik uiteindelijk vond, waarom ik opnieuw begon te studeren en wat werken en studeren tegelijk mij heeft geleerd over plannen, druk en mezelf.
Mijn eerste echte job
Sinds de zomer van 2025 werk ik bij FOD Financiën. Ik begon er als Application Tester en later kwam ik meer terecht in een rol als SQL Developer, wat nog dichter aansluit bij mijn opleiding en interesses. Werken voor de overheid bleek eigenlijk veel interessanter dan ik op voorhand dacht. Je leert er niet alleen veel bij over technologie, maar ook over hoe het land achter de schermen werkt, hoe belastingen verwerkt worden en hoeveel systemen er bestaan waar de meeste mensen nooit echt bij stilstaan.
Het was mijn eerste echte fulltime job, dus bijna alles was nieuw: collega's, thuiswerken, vergaderingen, mijn eigen planning leren beheren en natuurlijk de slechte koffie. De eerste maanden was ik vooral bezig met uitzoeken hoe alles werkte. Wie doet wat? Hoe hangen de systemen samen? Bij wie moet ik zijn als er iets misloopt? Tegelijk bleef één gedachte telkens terugkomen: ik wilde nog altijd mijn bachelor halen.
Niet omdat iemand mij daartoe verplichtte, maar omdat ik aan mezelf wilde bewijzen dat ik het kon. Een bachelor zou later misschien meer deuren openen, maar vooral wilde ik gewoon blijven bijleren.
Je hoeft niet alles perfect onder controle te hebben om vooruit te kunnen gaan.
Hoe combineer je een fulltime job met een bachelor?
In september begon ik aan de bacheloropleiding Interactive Media Development aan Arteveldehogeschool. De opleiding duurt anderhalf jaar, maar omdat ik fulltime werk, kon ik natuurlijk niet elke dag op school zitten.
Mijn eerste semester was, zacht uitgedrukt, chaos. Na een volledige werkdag begon er vaak nog een tweede deel van mijn dag: lessen inhalen, opdrachten maken, oefenen en proberen om alle deadlines bij te houden.
Werken en studeren combineren kwam voor mij vooral neer op vooruit plannen. Ik moest leren welke opdrachten meerdere avonden nodig hadden, voor welke deadlines ik beter op voorhand begon en wanneer iets gewoon goed genoeg mocht zijn. In het begin wilde ik alles tegelijk perfect doen. Goed presteren op het werk. Goed presteren op school. Geen enkele deadline missen. Mijn vrienden blijven zien. Genoeg slapen.
Dat hield ik natuurlijk niet lang vol. Na een tijdje leerde ik beter plannen. Ik begon sneller in te schatten welke opdrachten veel tijd zouden vragen, wanneer ik op voorhand moest werken en wanneer iets gewoon goed genoeg mocht zijn.
Ook tijd maken voor Teynur
Tussen werk en school moest ik mezelf er ook aan herinneren dat er nog een leven buiten die twee dingen bestond. Ik had tijd nodig voor mezelf, mijn vrienden en soms gewoon om helemaal niets te doen. Zonder dat zou ik het waarschijnlijk niet lang hebben volgehouden.
Op sommige momenten leek mijn hele leven in mijn agenda te staan: werk, les, project, vergadering, deadline, en dan opnieuw. Uiteindelijk besefte ik dat vrije tijd geen verloren tijd is. Even kunnen loskoppelen was net wat ervoor zorgde dat ik gemotiveerd bleef en kon blijven doorgaan.
Het tweede semester
Het tweede semester ging iets vlotter. Niet omdat het plots gemakkelijker werd, maar omdat ik mezelf en de opleiding beter kende. Ik kon beter inschatten hoeveel tijd ik nodig had, wist beter waar mijn zwakkere punten lagen en begreep ook beter wat er van mij verwacht werd.
Ik had drie herexamens, dus ik wist dat de zomer drukker zou worden dan normaal. Tegelijk stopte het werk natuurlijk niet en moest het project waar ik bij FOD Financiën aan werkte ook verder. Het werd dus opnieuw een drukke periode.
Toch heb ik studeren nooit echt gezien als iets dat ik tegen mijn zin moest doen. Zelfs wanneer het stresserend was, vond ik het nog altijd leuk om dingen te bouwen, problemen op te lossen en te zien dat ik vooruitging.
Ik bracht lange dagen door in het prototypinglab van school, waar we digitale en fysieke projecten konden bouwen en testen. Vaak was het vooral dingen oplossen die niet werkten, opnieuw proberen en uiteindelijk zien dat een project toch begon te doen wat het moest doen. Het werk ging verder. School ging verder. En stilaan begonnen mijn projecten ook echt te werken.
Tegelijk merkte ik dat ik opnieuw te weinig tijd voor mezelf overliet.
Niet alles moet 20 op 20 zijn
Daarom besloot ik om het anders aan te pakken. Ik hoefde niet voor elke opdracht de perfecte punten te halen. Mijn doel werd veel eenvoudiger: begrijpen waar ik mee bezig was, mijn vakken halen en het jaar doorkomen zonder mezelf voortdurend onnodig onder druk te zetten.
Dat maakte een groot verschil.
Toen ik stopte met voortdurend perfectie na te jagen, kreeg ik meer ruimte om echt te leren. Vandaag ben ik geslaagd voor alles van mijn eerste jaar. Ik behaalde goede resultaten, leerde veel nieuwe dingen en, nog belangrijker, ik leerde beter omgaan met de combinatie van werk, school en de rest van mijn leven. Ik ga niet zeggen dat ik nu plots de perfecte balans heb gevonden, want volgens mij bestaat die ook niet echt.
Wat ik wel heb geleerd, is dat je niet alles perfect onder controle moet hebben om vooruit te kunnen gaan. Soms moet je je planning aanpassen. Soms moet je harder werken. Soms loopt iets fout en probeer je gewoon opnieuw. En soms is het beste wat je kunt doen bewust even helemaal niets.
En misschien is dat wel het belangrijkste wat ik dit jaar geleerd heb.
